Berntsen Mulder Advocaten logo

Afbeelding

Berntsen Mulder header afbeelding
11 april 2017

Voorkom erfbelasting over uitkering uit overlijdensrisicoverzekering

Karin Nijman, advocaat Michel van Egmond, fiscalist bij BDO

Inleiding

Casus:

Peter en Els zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden. De premie van de overlijdensrisicoverzekering (ORV) betaalden zij van hun en/of-rekening. Peter overlijdt. Els ontvangt een uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering. Wordt de uitkering betrokken in de heffing van erfbelasting?

Antwoord:

Betaling vanaf de gezamenlijke rekening is irrelevant.
Andere voorwaarden zijn wél belangrijk. Els hoeft geen erfbelasting over de uitkering van de ORV te betalen als:
1. Els zelf de premie verschuldigd was;
2. Els en Peter premiesplitsing zijn overeengekomen met de verzekeraar met een ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier;
3. Het huwelijksgoederenregime 'de constructie kan dragen'.
Als - kort gezegd - aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de uitkering van de ORV niet betrokken in de heffing van erfbelasting.

De Successiewet

​Artikel 13 lid 1 Successiewet bepaalt:

‘Al wat ten gevolge van of na het overlijden van een erflater wordt verkregen krachtens een overeenkomst van levensverzekering (...), wordt voor de toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen, voor zover de verkrijging kan worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater (...)’

Een uitkering van een ORV wordt zo een fictieve erfrechtelijke verkrijging en als zodanig in de heffing van successierechten betrokken.

 Hoofdregel: uitkering levensverzekering = Erfbelasting

Op deze hoofdregel is een uitzondering mogelijk. Als er voor de uitkering van de ORV niets onttrokken is aan het vermogen van de erflater (Peter in ons voorbeeld), valt de uitkering niet onder de erfbelasting.

De Belastingdienst heeft meerdere keren tekst en uitleg gegeven over de vraag wanneer er naar haar mening sprake is van deze uitzondering op de hoofdregel. De uitkering van de ORV wordt dan dus niet in de heffing van erfbelasting betrokken. De meest recente versie van deze uitleg vindt u in de Staatscourant 2010, 20508 (Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/873M).

Voor de 'normale situatie' (echtgenoot 1 + echtgenoot 2, huis, kruislingse levensverzekering), gelden 3 voorwaarden die we hieronder behandelen.

1. Verschuldigdheid premies (niet feitelijke betaling) is cruciaal
De premie die betrekking heeft op de uitkering bij overlijden moet verschuldigd zijn geweest door een ander dan de overledene (Peter). Niet voldoende is dat de premie door een ander werd betaald.  

Het gaat bij deze beoordeling nadrukkelijk om de vraag naar de verschuldigdheid van de premie en niet om de betaling zelf (HR 17 februari 1954, BNB 1954/140). Wie de premie feitelijk betaalde is dan niet van belang. Het kan in ons voorbeeld dus goed zijn dat Peter de premie feitelijk betaalde. Dat houdt voor de Belastingdienst niet in dat er iets aan het vermogen van Peter onttrokken is. Het gaat erom dat Els de premie verschuldigd was, maar het maakt daarna dus niet meer uit of zij haar eigen premie betaalde of dat Peter dat deed of dat zij de premie van de en/of-rekening betaalden.

Maar o-wee als de premie ook maar op enig moment door Peter verschuldigd was… Dan stelt de Belastingdienst dat er ter zake van de overlijdensuitkering 'iets aan het vermogen van de overledene is onttrokken' en wordt de uitkering uit de ORV (voor zover de verkrijging kan worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater) betrokken in de heffing van erfbelasting. De verschuldigdheid van één premiebetaling is hiervoor al voldoende. Als er een foute polis is opgemaakt moet u daarom aan uw verzekeraar vragen om een nieuwe verzekering. Een correctie van een foute polis helpt niet om de in het verleden gemaakte fout recht te zetten. Er is dan al 'iets onttrokken uit het vermogen' en dat kan voor problemen zorgen. 

2. Premiesplitsing overeengekomen  + ondertekende en gedagtekende aanvraag
Ten tweede moet de 'verschuldigdheid van de premie' zijn afgesproken tussen de verzekeraar en degene die de premie verschuldigd is (Els). Als er twee premieplichtigen zijn (Els & Peter), moet de verschuldigdheid van premie door elk van hen blijken uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad. Daarnaast moeten zowel Peter als Els het aanvraagformulier hebben ondertekend en van een datum hebben voorzien.

3. Het huwelijksgoederenregime moet 'de constructie kunnen dragen'
De laatste vraag is of het huwelijksgoederenregime 'de constructie kan dragen'.
Peter en Els kunnen de hierboven genoemde punten keurig zijn nagekomen met de verzekeraar, maar als zij in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, is het zinloos. 
Dan is de tijdens de huwelijksperiode verschuldigde premie voor de helft aan het vermogen van Peter onttrokken en wordt de uitkering (voor zover de verkrijging kan worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater) dus betrokken in de heffing van erfbelasting. In dat geval kan dus het huwelijksgoederenregime 'de constructie niet dragen'.

Maar ook als Peter en Els wél huwelijkse voorwaarden gesloten hebben, kan het nog mis gaan. Als in de huwelijkse voorwaarden namelijk staat dat premies (deels) ten laste van het vermogen van Peter komen, gaat het ook weer fout. De premie is dan immers (deels) onttrokken aan het vermogen van Peter.

Aan de hand van de huwelijkse voorwaarden zal de Belastingdienst bepalen of de verschuldigde premies voor de ORV (deels) ten laste van het vermogen van Peter zijn gevallen. Als de echtgenoten buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd waren, de premie verschuldigd was door Els en de huwelijkse voorwaarden de constructie kunnen dragen, is er niets onttrokken aan het vermogen van Peter. Over de uitkering uit de ORV is door Els dan geen erfbelasting verschuldigd. 

Pas op voor verrekenbedingen. Soms staat in een verrekenbeding namelijk opgenomen dat (bij het overlijden van één van de echtgenoten) zal worden verrekend alsof de echtgenoten in gemeenschap van goederen waren getrouwd. Ook in zo’n geval is er weer wat onttrokken aan het vermogen van Peter.

Een veelgebruikte voorbeeldtekst in huwelijkse voorwaarden luidt:

‘De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit. 
(...)
Overlijdensrisicoverzekeringen
Premies en koopsommen van een levensverzekering (een ongevallenverzekering daaronder begrepen) en al hetgeen in verband hiermee is verschuldigd, behoren niet tot de kosten van de huishouding en worden uitsluitend gedragen door de echtgenoot die deze krachtens de polis is verschuldigd. Deze premies en koopsommen zijn en blijven uitsluitend voor rekening van de premieplichtige. Bij een verrekening van betaalde premies en koopsommen wordt degene die recht heeft op verrekening volledig schadeloos gesteld.
(...)
Verrekening bij ontbinding van het huwelijk door overlijden
 ...Onder het vermogen van een echtgenoot wordt verstaan het saldo van zijn bezittingen en schulden. Indien de langstlevende echtgenoot een verzekering heeft afgesloten op het leven van de overleden echtgenoot en in verband met diens overlijden door hem een uitkering wordt verkregen waarover successierecht verschuldigd kan zijn, wordt het vermogen van de langstlevende echtgenoot vermeerderd met de premies en koopsommen die tijdens het huwelijk door hem in verband met deze verzekering zijn betaald of te zijnen laste zijn gekomen, vermeerderd met een schadeloosstelling.’

Let dus goed op de tekst van uw huwelijkse voorwaarden. Waar het om gaat, is dat nooit via verrekening of via de kosten van de huishouding alsnog iets wordt onttrokken aan het vermogen van de andere echtgenoot. 

We hebben nu 3 cumulatieve voorwaarden behandeld die gezamenlijk bewerkstelligen dat de uitkering uit de ORV niet wordt betrokken in de heffing van erfbelasting:

1. De premie die betrekking heeft op de uitkering bij overlijden moet verschuldigd zijn geweest door een ander dan de overledene.
2. Premiesplitsing is overeengekomen tussen de verzekeraar en diegene die premie verschuldigd is. Deze verschuldigdheid moet uit de polis blijken, of uit een clausuleblad. Daarnaast moet er een, door alle premieplichtigen, ondertekend en gedateerd aanvraagformulier zijn.
3. Tot slot moet het huwelijksgoederenregime 'de constructie kunnen dragen'.

Dit zijn de belangrijkste 3 punten die u in de gaten moet houden. Voor de fijnproevers wijzen wij erop dat de Belastingdienst nog 2 andere voorwaarden stelt die dieper op de materie in gaan (zie voor meer details: het Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/873M).

4. Voor de beoordeling of iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene is het tijdstip van overlijden beslissend. Op dit onderwerp gaan wij hier niet nader in; het heeft vooral te maken met overdracht, toescheiding en wijziging van lopende polissen en lijkt ons voor de hoofdzaken die in dit artikel behandeld worden te diepgravend.
5. Datzelfde geldt voor de vijfde voorwaarde die de Belastingdienst stelt. Bij dit onderdeel gaat het om specifieke instructies over de uitwerking van de premiesplitsing. Het gaat er bijvoorbeeld om - kort gezegd - dat de premie passend moet zijn bij de uitkering die daar tegenover staat. Dit gaat dieper dan relevant is voor dit artikel.

 Hoofdregel = erfbelasting
 Uitkering levensverzekering = Erfbelasting

 

 Praktijk = vrijstelling, mits:
 1. Premie verschuldigd door ander dan overledene;
 2. Premiesplitsing, afgesproken tussen verzekeraar en premieplichtige, blijkt uit polis of clausuleblad en er is een ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier;
​ 3. Huwelijks voorwaarden moeten 'de constructie kunnen dragen'

Goed regelen is dus het advies en daarna: vooral heel gelukkig en gezond blijven.


Als u vragen heeft over dit onderwerp, belt u ons dan gerust.

K.J. Nijman-Weninger (tel. 0172-427071) & M. van Egmond (0172-535443)